Samen naar een meer duurzame ontwikkeling
In een dunbevolkte wereld met beperkte productie en consumptie was de druk op het leefmilieu, zeker op mondiale
schaal beschouwd, eeuwenlang weinig problematisch. Met de industrialisering veranderde dat beeld en vooral na
de Tweede Wereldoorlog kwamen de problemen steeds nadrukkelijker aan het licht. Vanaf de jaren zestig van de
vorige eeuw groeide dan ook het inzicht dat natuurlijke hulpbronnen en de draagkracht van het leefmilieu niet
onuitputtelijk waren.
De wereldomspannende gevolgen van de milieuproblematiek, nog versterkt door de mondialisering van de economie,
maakten dat dit inzicht gaandeweg werd verruimd tot een meer integrale maatschappelijke visie met een belangrijke
ethische component. Dit was het vertrekpunt voor een zoektocht naar, in alle betekenissen, meer globale oplossingen.
De belangrijkste leidraad in die zoektocht is sinds de jaren tachtig het begrip ‘duurzame ontwikkeling’, in 1987 door het
Brundtland-rapport van de Verenigde Naties gedefinieerd als: “ontwikkeling die tegemoet komt aan de noden van het
heden, zonder de behoeftevoorziening van de komende generaties in het gedrang te brengen.”
In juni 1992, tijdens de Wereldtop in Rio de Janeiro (de zogenaamde Aardetop), gingen de deelnemende landen
diverse verbintenissen aan rond milieu en ontwikkeling, biologische diversiteit, klimaatverandering, bosbeheer enz.
Tot de verbintenissen behoorde ook Agenda 21.
Dat kader is intussen verder geëvolueerd en geconcretiseerd. Zo bevestigden de regeringsleiders in 2002, op de
tweede Wereldtop, in Johannesburg, de centrale rol van duurzame ontwikkeling in de wereldwijde strijd tegen armoede
en sociale uitsluiting en voor de bescherming van het leefmilieu. Bovendien aanvaardden zij een Implementatieplan
met precieze tijdslimieten rond concrete doelstellingen inzake uitroeiing van armoede, wijziging van niet-duurzame
consumptie- en productiepatronen, bescherming en beheer van natuurlijke hulpbronnen, mondialisering, gezondheid,
duurzame-ontwikkelingsinitiatieven voor Afrika en voor andere regio's in de wereld.
Duurzame ontwikkeling vereist dus een aanpak die sociale, ecologische en economische aspecten integreert met aandacht
voor elke schaalverhouding: van het mondiale tot het lokale.
Groeiende internationale bereidheid tot duurzame ontwikkeling betekent helaas niet dat de problemen snel opgelost
raken. Niet alleen toonden de verwikkelingen rond de klimaatakkoorden van Kyoto (1997) aan dat het hemd soms nader
dan de rok is als het er (economisch) op aankomt. Ook blijkt uit tal van studies dat problemen als de aantasting van het
leefmilieu, of de kloof tussen arm en rijk vaak nog toenemen.
Er moet dus meer dan ooit worden gereageerd en dat is ieders verantwoordelijkheid.
In België is het duurzame-ontwikkelingsbeleid mede gebaseerd op de afspraken binnen de Europese Unie. Sinds de Top
van Göteborg liggen de Europese prioriteiten bij armoede en sociale uitsluiting, vergrijzing, klimaatverandering, duurzaam
transport, milieugezondheid en beheer van natuurlijke rijkdommen.
Het tweede Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling, waarmee deze website een kennismaking is, focust op dezelfde
prioriteiten.
Federaal beleid Duurzame Ontwikkeling
Gezien de verdeling van bevoegdheden in België, vergt het federale duurzame-ontwikkelingsbeleid ook coördinatie met
de Gewesten, Gemeenschappen en lokale overheden. Een belangrijke rol blijft echter weggelegd voor het federale niveau,
onder meer op basis van de wet “betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling” (1997).
Concreet voorziet deze wet in een beleidscyclus met een vierjaarlijks federaal plan, een tweejaarlijks federaal rapport en
geregelde adviezen vanuit het maatschappelijke middenveld.
Het vierjaarlijkse plan wordt voorbereid door de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling (ICDO) en na
een brede raadpleging van de bevolking voorgelegd aan de regering. Het Federaal Planbureau, een onafhankelijke
administratie, maakt het tweejaarlijks federaal rapport, als evaluatie van de in België geboekte vooruitgang binnen
Agenda 21. Ten slotte participeert het maatschappelijk middenveld via de Federale Raad Duurzame Ontwikkeling.
Een duurzaam-ontwikkelingsbeleid houdt talrijke uitdagingen in: het herstel van de economische groei, de creatie van
nieuwe banen, de opvang van de vergrijzing, de versterking van de sociale zekerheid, betere en beter toegankelijke
gezondheidszorgen, een doelmatiger openbaar bestuur, milieubescherming en duurzame mobiliteit. Met het tweede
Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling (2004-2008) wil de regering die uitdagingen aangaan. Dit plan ligt in
het verlengde van het eerste (2000-2004), maar houdt rekening met het regeerakkoord van 12 juli 2003 en met nieuwe
prioriteiten, afgestemd op de strategieën van Lissabon en Göteborg.
Het Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling bundelt maatregelen die simultaan, in verscheidene sectoren en
– na verder overleg en coördinatie – op diverse beleidsniveaus zullen worden genomen. Het plan heeft geen dwingend
karakter, maar biedt een kader van beleidslijnen.
In een dunbevolkte wereld met beperkte productie en consumptie was de druk op het leefmilieu, zeker op mondiale
schaal beschouwd, eeuwenlang weinig problematisch. Met de industrialisering veranderde dat beeld en vooral na
de Tweede Wereldoorlog kwamen de problemen steeds nadrukkelijker aan het licht. Vanaf de jaren zestig van de
vorige eeuw groeide dan ook het inzicht dat natuurlijke hulpbronnen en de draagkracht van het leefmilieu niet
onuitputtelijk waren.
De wereldomspannende gevolgen van de milieuproblematiek, nog versterkt door de mondialisering van de economie,
maakten dat dit inzicht gaandeweg werd verruimd tot een meer integrale maatschappelijke visie met een belangrijke
ethische component. Dit was het vertrekpunt voor een zoektocht naar, in alle betekenissen, meer globale oplossingen.
De belangrijkste leidraad in die zoektocht is sinds de jaren tachtig het begrip ‘duurzame ontwikkeling’, in 1987 door het
Brundtland-rapport van de Verenigde Naties gedefinieerd als: “ontwikkeling die tegemoet komt aan de noden van het
heden, zonder de behoeftevoorziening van de komende generaties in het gedrang te brengen.”
In juni 1992, tijdens de Wereldtop in Rio de Janeiro (de zogenaamde Aardetop), gingen de deelnemende landen
diverse verbintenissen aan rond milieu en ontwikkeling, biologische diversiteit, klimaatverandering, bosbeheer enz.
Tot de verbintenissen behoorde ook Agenda 21.
Dat kader is intussen verder geëvolueerd en geconcretiseerd. Zo bevestigden de regeringsleiders in 2002, op de
tweede Wereldtop, in Johannesburg, de centrale rol van duurzame ontwikkeling in de wereldwijde strijd tegen armoede
en sociale uitsluiting en voor de bescherming van het leefmilieu. Bovendien aanvaardden zij een Implementatieplan
met precieze tijdslimieten rond concrete doelstellingen inzake uitroeiing van armoede, wijziging van niet-duurzame
consumptie- en productiepatronen, bescherming en beheer van natuurlijke hulpbronnen, mondialisering, gezondheid,
duurzame-ontwikkelingsinitiatieven voor Afrika en voor andere regio's in de wereld.
Duurzame ontwikkeling vereist dus een aanpak die sociale, ecologische en economische aspecten integreert met aandacht
voor elke schaalverhouding: van het mondiale tot het lokale.
Groeiende internationale bereidheid tot duurzame ontwikkeling betekent helaas niet dat de problemen snel opgelost
raken. Niet alleen toonden de verwikkelingen rond de klimaatakkoorden van Kyoto (1997) aan dat het hemd soms nader
dan de rok is als het er (economisch) op aankomt. Ook blijkt uit tal van studies dat problemen als de aantasting van het
leefmilieu, of de kloof tussen arm en rijk vaak nog toenemen.
Er moet dus meer dan ooit worden gereageerd en dat is ieders verantwoordelijkheid.
In België is het duurzame-ontwikkelingsbeleid mede gebaseerd op de afspraken binnen de Europese Unie. Sinds de Top
van Göteborg liggen de Europese prioriteiten bij armoede en sociale uitsluiting, vergrijzing, klimaatverandering, duurzaam
transport, milieugezondheid en beheer van natuurlijke rijkdommen.
Het tweede Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling, waarmee deze website een kennismaking is, focust op dezelfde
prioriteiten.
Federaal beleid Duurzame Ontwikkeling
Gezien de verdeling van bevoegdheden in België, vergt het federale duurzame-ontwikkelingsbeleid ook coördinatie met
de Gewesten, Gemeenschappen en lokale overheden. Een belangrijke rol blijft echter weggelegd voor het federale niveau,
onder meer op basis van de wet “betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling” (1997).
Concreet voorziet deze wet in een beleidscyclus met een vierjaarlijks federaal plan, een tweejaarlijks federaal rapport en
geregelde adviezen vanuit het maatschappelijke middenveld.
Het vierjaarlijkse plan wordt voorbereid door de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling (ICDO) en na
een brede raadpleging van de bevolking voorgelegd aan de regering. Het Federaal Planbureau, een onafhankelijke
administratie, maakt het tweejaarlijks federaal rapport, als evaluatie van de in België geboekte vooruitgang binnen
Agenda 21. Ten slotte participeert het maatschappelijk middenveld via de Federale Raad Duurzame Ontwikkeling.
Een duurzaam-ontwikkelingsbeleid houdt talrijke uitdagingen in: het herstel van de economische groei, de creatie van
nieuwe banen, de opvang van de vergrijzing, de versterking van de sociale zekerheid, betere en beter toegankelijke
gezondheidszorgen, een doelmatiger openbaar bestuur, milieubescherming en duurzame mobiliteit. Met het tweede
Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling (2004-2008) wil de regering die uitdagingen aangaan. Dit plan ligt in
het verlengde van het eerste (2000-2004), maar houdt rekening met het regeerakkoord van 12 juli 2003 en met nieuwe
prioriteiten, afgestemd op de strategieën van Lissabon en Göteborg.
Het Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling bundelt maatregelen die simultaan, in verscheidene sectoren en
– na verder overleg en coördinatie – op diverse beleidsniveaus zullen worden genomen. Het plan heeft geen dwingend
karakter, maar biedt een kader van beleidslijnen.